|
Portretten en mini-biografiën van politici en maatschappelijke hervormers uit de eerste helft van de 20e eeuw
Politici / militairen: Liang Qichao (Liang Ch'i-ch'ao; 1873-1929) Chen Duxiu (Ch'en Tu-hsiu; 1879-1942) Zhu De (1886-1976) Chiang Kai-shek (Jiang Jieshi, 1887-1975) Hu Shi (1891-1962) Li Dazhao (Li Ta-chao; 1888-1927) Mao Zedong (Mao Tse-tung, 1893-1976) T.V. Soong (Soong Tzu-wen, Song Ziwen, 1894-1971) Joseph (Joe) Stilwell (1883-1946)
Warlords: Zhang Zuolin (Chang Tso-lin, 1875-1928) Wu Peifu (?-1940) Feng Yuxiang (Feng Yu-hsiang, 1882-1948) Yan Xishan (Yen Hsi-shan, 1883-1960) Zhang Xueliang (1901-2001)
De "Soong-zusters": Song Ailing (Soong Ai-ling, 1890-1973) Song Qingling (Soong Ching-ling, 1892-1981) Song Meiling (Soong May-ling, 1897-2003)
Onder elk portret een verkorte literatuurverwijzing; Onderaan de pagina de uitgebreide verwijzingen.
|
Portret: |
Persoonlijke gegevens: |
|

|
Liang Qichao (Liang Ch'i-ch'ao; 1873-1929)
Leerling van Kang Youwei en langdurig medestander in de pogingen tot hervorming van het keizerrijk. Naast Kang was Liang een van de leidende propagandisten voor hervormingen in de nadagen van de Qing-dynastie. Hij publiceerde vele artikelen in diverse oppositionele kranten en tijdschriften. Liang moest in 1898 na de mislukking van de "Honderd Dagen" evenals Kang naar Japan vluchten. In tegenstelling tot Kang Youwei wilde Liang wel samenwerken met de revolutionair Sun Yat-sen. Na aanvankelijke steun voor Yuan Shikai bestreed hij tenslotte diens ambities zelf keizer te worden. In 1918 en 1919 bezocht Liang Europa, van waaruit hij berichtte over de vredesonderhandelingen in Versailles. Hij was erg geschokt door de verwoestingen van de Eerste Wereldoorlog en ontwikkelde een afkeer van de politiek van de Europese staten. Ronduit verbitterd was hij over de (Europese) manipulaties bij de vredesonderhandelingen, die Japan bevoordeelden ten koste van vooral China. Zijn berichtgeving hierover hadden grote invloed op de publieke opinie en de uiteindelijke afwijzing door China (en de Verenigde Staten) van het verdrag van Versailles. Hiermee had hij ook een grote invloed op het ontstaan van de Vierde Mei Beweging (1919).
Bronnen: Hsü 1983 |
|

|
Chen Duxiu (Ch'en Tu-hsiu; 1879-1942).
Oorspronkelijk werkzaam aan de Beida (Peita; Universiteit van Peking). Belangrijke motor achter de 'Nieuwe Cultuurbeweging', die China's culturele leven beheerste na de dood van Yuan Shikai. Chen geloofde in westerse waarden, zoals gelijkheid en mensenrechten. Hij wees het confucianisme af als basis voor een moderne Chinese samenleving. Chen is het meest bekend geworden als oprichter in 1915 van Xinqingnian / "La Jeunesse", het lijfblad van de vernieuwingsbeweging. Dit blad had een buitengewoon grote invloed op de personen die het nieuwe China zouden vormen. Ook was hij mede-oprichter van Meizhou pinglun, een wekelijkse publicatie met eveneens maatschappelijke en politieke vernieuwing als hoofdthema's. Onder invloed van het succes van de Russische revolutie wendde hij zich tot het marxisme. In 1921 was hij mede-oprichter van de Chinese Commmunistische Partij (CCP). Vanaf de oprichting tot 1927 was hij Secretaris Generaaal van de CCP. Na de mislukking van het (eerste) eenheidsfront met de Guomindang in 1927 viel hij in ongenade, zogenaamd als gevolg van vermeende Trotskistische ideeën. In werkelijkheid werd hem (o.a. door Mao Zedong) een fataal gebrek aan leiderschap verweten voortvloeiend uit zijn scepsis ten aanzien van het denkbeeld, dat de socialistische revolutie vanuit het platteland moest plaatsvinden. In 1929 werd hij uit de CCP gezet.
Bronnen: Hsü 1983 |
|

|
Zhu De (1886-1976)
Geboren in de provincie Sichuan. Levenslange trouwe metgezel van Mao Zedong binnen de CCP. In 1927 leidde hij de zogenaamde Nanchang-opstand. Evenals Mao nam hij deel aan de 'Lange Mars'. Tijdens de jarenlange strijd tegen de nationalisten wist hij vele militaire overwinningen voor de communisten te behalen. Sinds 1949 was hij lid van het polit-bureau van de CCP.
Bronnen: Hsü 1983 |
|



|
Chiang Kai-shek (Jiang Jieshi, "CKS", 1887-1975)
Chiang werd geboren in een dorp bij Ningbo (prov. Zhejiang) Hij studeerde in Japan van 1908-1910. Chiang deed een belangrijk deel van zijn militaire ervaring op in Sovjet-Rusland. Hij werd als eerste commandant van de Huangpu (Whampoa) militaire academie benoemd in 1924. Tot diens dood was hij een trouw volger van Sun Yat-sen. In 1926 werd Chiang benoemd tot opperbevelhebber van het nationalistische leger. In datzelfde jaar startte hij zijn succesvolle veldtocht naar het noorden, met als uiteindelijk doel de hele natie te herenigen en de republiek te herstellen. Na een door hem gepleegde staatsgreep binnen de Guomindang in 1927, waarbij hij de communisten en andere linkse krachten binnen de partij op bloedige wijze buiten spel zette, werd hij - tot zijn dood - de onbetwiste leider van de Nationalistische (Guomindang, KMT) Partij. De moord op duizenden communisten en andere onschuldige burgers - die slechts de uiterlijke schijn vertoonden communist te zijn - en zijn niet aflatende haat en vervolging jegens alles wat links was, heeft de reputatie van Chiang Kai-shek in de geschiedenisboekjes geen goed gedaan. Chiang trouwde voor de eerste maal met Mao Fu-mei, van wie hij twee zonen kreeg. Dit was een gearrangeerd huwelijk. Zijn oudste zoon, Chiang Ching-kuo (Jiang Jingguo), zou hem later opvolgen als president van de R.O.C. (toen reeds vestigd op Taiwan). De tweede vrouw van Chiang Kai-shek was Chen Jieru (Chen Chieh-ju; "Jennie"). Hij trouwde voor de derde maal in december 1927 met Song Meiling, een van de drie Songzusters. Om met haar te kunnen trouwen bekeerde hij zich tot het christendom. Met uitzondering van enkele korte perioden was hij vanaf 1928 president van de (nationalistische) republiek, eerst in Nanjing, later tijdens WO II in Chongqing en tenslotte, na de verjaging van de nationalisten, in Taipei (Taibei) op Taiwan. Hij werd met zijn regering in 1937 verjaagd door de Japanners naar Chongqing (provincie Sichuan). Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij de voornaamste bondgenoot voor de Amerikanen in het onbezette deel van China. Zijn prestaties als veldheer tegen de Japanners en als leider van het 'vrije China' zijn omstreden en worden door vele ooggetuigen (en historici) als ronduit slecht beschouwd. Een illustratie van zijn falend leiderschap was de slechte verhouding met de Amerikaanse generaal Stilwell, een militaire vertegenwoordiger van de Amerikaanse regering in het Chinese oorlogstheater. Nog erger was de situatie voor de Chinese boer en soldaat die jarenlang gebukt ging onder wanbeheer en corruptie, waarvoor Chiang in hoge mate verantwoordelijk wordt gesteld. Na WO II werd zijn bewind, na de nederlaag in de burgeroorlog tegen de communisten onder Mao Zedong, verjaagd naar Taiwan. Nadat de Koreaanse oorlog uitbrak verleenden de Amerikanen hem bescherming als bondgenoot tegen de communisten. Daarmee voorkwamen zij dat Chiang en zijn Guomindang ook uit hun laatste bolwerk verjaagd werden. Vanuit Taiwan tot zijn dood bleef hij er tevergeefs naar streven zijn nationalistische regering weer in heel China aan de macht te brengen.
Bronnen: Fenby 2003, Hsü 1983 |
|
 (foto: Cornell University)
|
Hu Shi (1891-1962)
Belangrijke filosoof en geleerde tijdens de eerste jaren van de Republiek. Studeerde aan de Cornell Universiteit in de Verenigde Staten (1910-1914). Hu publiceerde in 1917 in "La Jeunesse" een pleidooi voor het gebruik van de spreektaal in de literatuur. Hij was een groot criticus van het confucianisme en bewonderaar voor de moderne westerse denkbeelden. Een bekende slogan van Hu Shi was: "Go West!". Dit alles had grote weerklank en had een grote bloei van moderne Chinese literatuur tot gevolg. Het blad besteedde als eerste in China uitgebreid aandacht aan het marxisme. Hu Shi zelf hield zich afzijdig van politiek en concentreerde zich op de hervorming van de cultuur en maatschappij. Toch associeerde hij zich later met de Guomindang en werd de ambassadeur voor China in de VS van 1938 tot 1942. Na de tweede wereldoorlog werd hij hoofd van de Beida (Universiteit van Peking). Hij vertrok naar de VS na de uitroeping van de Volsrepubliek. In 1957 was hij ambassadeur voor Nationalistisch China (ROC) bij de Verenigde Naties.
Bronnen: Hsü 1983 |
|

|
Li Dazhao (Li Ta-chao; 1888-1927)
Geboren in de provincie Hebei, opgeleid in Peking en Japan en hoogleraraar geschiedenis aan de Beida. Li werd een van eerste en leidende communisten. Hij werkte samen met Chen Duxiu bij diens uitgave van o.a. "La Jeunesse". Hierin publiceerde hij o.a. over de Russische revolutie van 1917. In 1924 nam hij deel aan het congres van de Komintern in Moskou. Hij was vooral actief bij de opbouw van de communistische beweging van Beijing en Tianjin in de periode 1923-1926. Li werd samen met andere communisten in Peking in 1927 geëxecuteerd op bevel van de krijgsheer Zhang Zuolin, toen deze na een inval in de Sovjet-ambassade documenten aangetroffen had, waaruit zijn betrokkenheid bij een samenzwering tegen het noorderlijke warlordregime zou blijken.
Bronnen: Hsü 1983 |
|




|
Mao Zedong (Mao Tse-tung, 1893-1976)
Opgegroeid in een relatief rijk boerengezin in de provincie Hunan (het dorp Shaoshan). Hij studeerde in de hoofdstad van Hunan, Changsha, van 1911-1918. In 1917 publiceerde Mao zijn eerste artikel in "La Jeunesse", het blad opgericht door Chen Duxiu, een voor wie hij aanvankelijk een grote bewondering had. Het artikel ging over lichamelijke oefeningen en militaire training. Mao raakte betrokken bij de "Beweging van vier mei" in 1919, toen hij bij de bibliotheek van de Beida in Peking werkte. Hij was aanwezig bij de oprichting van CCP in 1921 in Shanghai. In het begin van de jaren 20 was Mao betrokken bij verschillende stakingen en mislukte opstandjes tegen diverse warlords op het platteland van Hunan. Na het uiteenvallen van het eenheidsfront met de Guomindang in 1927 sloot hij zich aan bij de zgn. Jiangxi-Sovjet in het onherbergzame zuiden van de province Jiangxi en speelde er een prominente rol. Mao bereikte de hoogste post in de CCP tijdens de Lange Mars, ter gelegenheid van de Zhunyi-conferentie, in 1935. De Lange Mars eindigde in de stad Yan'an (prov. Shaanxi), waar hij als hoofd van de CCP tot het einde van de Tweede Wereldoorlog verblijf hield. Na de Nationalisten in de burgeroorlog verslagen te hebben, riep Mao in 1949 op het Tian'anmen-plein in Peking, de Volksrepubliek uit, een hoogtepunt uit zijn carrière. In de Volksrepubliek oefende hij met onderbrekingen het ambt van voorzitter ("Chairman") van de CCP uit. Na de mislukking van de campagne "de Grote Sprong Voorwarts" daalde zijn ster aanzienlijk. Ontevreden met zijn mindere positie wist Mao met een aantal getrouwen en gemobiliseerde studenten de massa's weer op zijn hand te krijgen tijdens de door hem geleide "Culturele Revolutie". Mao is vershillende keren getrouwd geweest. Zijn eerste vrouw was Yang Kaihui, die hij 1919 ontmoette. Zij was de dochter van een bekende geleerde en filosoof uit Hunan. Zij kregen twee zonen. Yang werd in 1930 vermoord tijdens anti-communistische zuiveringen. Mao trouwde voor de tweede maal met Ho Tzu-chen, van wie hij in 1937 scheidde. Eind 1938 trouwde Mao voor de derde maal. Zijn nieuwe vrouw was de actrice Jiang Qing (Chiang Ching), die hem twee dochters schonk. Jiang Qing zou later, na de dood van Mao, berucht worden als de vermeende leider van de "Bende van Vier", die een meer conservatieve koers voorstond dan de hervormers onder leiding van Deng Xiaoping. Mao is als voornaamste oprichter van de Volksrepubliek nog steeds ongekend populair in China, ondanks de mislukkingen die hem worden toegeschreven. Zijn portret, prominent aangebracht aan de Poort van de Hemeles Vrede op het Tiananmen-plein in Beijing, staat min of meer symbool voor de Volksrepubliek. Zijn gebalsemde lichaam ligt opgebaard in een speciaal paviljoen op dit plein en wordt dagelijks door duizenden bezocht.
Bronnen: Hsü 1983 |
|

|
Song Ailing (Soong Ai-ling, 1890-1973)
Oudste van de drie gezusters Song (in de amerikaanse literatuur gespeld als 'Soong') die als echtgenoten van prominente politici een grote invloed uitoefenden op de gebeurtenissen tijdens de periode van republiek. Zij was een dochter van de rijke christelijke en in Amerika opgegroeide C.J. ("Charlie") Soong. Ailing was getrouwd met H.H. Kung, de minister van financien van de nationalistische regering onder Chiang Kai-shek. (H.H. Kung wordt in hoge mate verantwoordelijk gehouden voor de gierende inflatie tijdens de republiek). Ailing had geen goede reputatie vanwege haar vermeende corruptie en geldsmijterij.
Literatuur over de leden van de familie So(o)ng: "The Soong Dynasty", Stearling Seagrave, Sidgewick & Jackson, 1985. |
|

|
Song Qingling (Soong Ching-ling, 1892-1981)
Middelste van de drie gezusters Song. Zij was getrouwd met Sun Yat-sen (zijn tweede vrouw). Na de dood van Sun was zij een van de leiders van de linkervleugel binnen de Guomindang. Op latere leeftijd werd zij een aanhanger van de CCP en werd in 1949 vice voorzitter (vice-president) van de Volksrepubliek. Zij vertegenwoordigde de Volksrepubliek op diplomatieke "goodwill" missies. |
|

|
Song Meiling (Soong May-ling, 1897-2003)
Jongste van de drie gezusters Song. Tussen haar tiende en negentiende verjaardag woonde Meiling in de Verenigde Staten, waar zij een uitstekende opleiding genoot. Zij trouwde op 1 december 1927 met Chiang Kai-shek, die zich voor de gelegenheid tot het christendom bekeerd had. Zij maakte van haar kennis van de Amerikaanse taal en gewoonten goed gebruik als promotor voor de politieke zaak van haar man. Hiermee wist zij in het Westen veel goodwill te kweken voor de nationalisten, wat Chiang maar moeilijk zou zijn gelukt met zijn stugge voorkomen en gebrek aan kennis van de Engelse taal. Zo werden Chiang Kaishek en Song Meiling in 1937 door het weekblad Time uitgeroepen tot "echtpaar van het jaar". Van oktober 1942 tot mei 1943 voerde zij een succesvolle campagne voor de nationalistische zaak in de Verenigde States. Ze verbleef geruime tijd op uitnodiging van president Roosevelt het Witte Huis. Hoogtepunt van haar bezoek was haar optreden voor het Amerikaanse Congress. In 1948, toen haar man met zijn nationalisten in grote problemen was geraakt in de strijd met de communisten van Mao, vertrok zij weer naar de VS voor steun. Ditmaal zonder succes. |
|

|
T.V. Soong (Soong Tzu-wen, Song Ziwen, 1894-1971)
Opgeleid in de VS (Harvard). Minister van financiën (1928-1933), buitenlandse zaken (1942-1944) en premier (1944) van de republiek tijdens het bewind van zijn zwager Chiang Kai-shek. Later raakte hij in conflict met CKS. Tijdens de tweede wereldoorlog onderhield hij de belangrijkste relaties tussen het door de nationalisten bezette China en Washington. T.V. Soong ("Tevee") was een broer van de beroemde Song-zusters (zie hierboven). Hij was tevens bankier en enige tijd "de rijkste man ter wereld".
Bronnen: Hsü 1983 |
|

|
Joseph (Joe) Stilwell (1883-1946)
Amerikaanse generaal die tijdens WO-II als afgevaardigde van de Amerikaanse regering toegevoegd was aan de staf van Chiang Kai-shek in Chongqing. Zijn taak was het commando over geallieerde troepen in het Chinese oorlogstheater en de verdeling van militaire goederen in het kader het Amerikaanse Lend-Lease steunprogramma. Stilwell had reeds veel ervaring opgedaan in China (hij sprak vloeiend Chinees) en had een (te) scherp oog voor de tekortkomingen van Chiang Kai-shek, het nationalistische leger en het bestuur. Stilwell had als toepasselijke bijnaam "Vinegar Joe" ("Azijn Joe"). Zijn directe en kritische benadering had een slechte persoonlijke verhouding met Chiang tot gevolg. Hij noemde CKS "the peanut" ("de pinda"). Zijn ideaal was een hervorming binnen het Chinese leger en een militaire overwinning op de Japanners in Birma. Onder andere door tegenwerking lukte dit niet. Uiteindelijk, na vele aanvaringen met Chiang, is hij in oktober 1944 op verzoek van Chiang door president Roosevelt teruggeroepen.
Literatuur: Hsü 1983; "Stilwell and the American experience in Chia 1911-45", Barbara W. Tuchman. |
|

|
Zhang Zuolin (Chang Tso-lin, 1875-1928)
Warlord die van 1911 tot zijn dood de machthebber in Mantsjoerije was. Hij had als bijnaam "de Oude Maarschalk". Geboren in een arm milieu in de provincie Liaoning (destijds Fengtian genaamd) en niet tevreden met een armoedig bestaan ontpopte hij zich allereerst als leider van een roversbende. Zoals vaak gebeurde in de roerige nadagen van de Qing-dynastie, werd Zhang met zijn overige bendeleden opgenomen in het regulaire leger van de plaatselijke militaire commandant. Tijdens de troebelen van de revolutie in 1911 trad hij met een klein legertje toe tot een regering die een onafhankelijk Mantsoerije voorstond. Na de machtsovername door Yuan Shikai verleende Zhang deze allerlei hand- en spandiensten, waarvoor hij beloond werd met de rang van generaal. Zijn macht nam steeds verder toe tot hij zich als gouverneur van de drie noordoostelijke provincies als semi-onafhankelijke warlord gevestigd had. In 1918 wist hij geheel Mantsoerije in handen te krijgen en raakte hij openlijk in conflict met de regering in Peking. Gedurende de jaren twintig vocht hij continu, in wisselende coalities, met en tegen rivaliserende Warlords om de (nominale) zeggenschap over de republiek. In 1927 wist hij zelfs tijdelijk het presidentschap van de republiek in handen te krijgen. Zhang was sterk anti-communistisch en degene die verantwoordelijk was voor de executie van prominente leiders van de CCP in 1927, waaronder Li Dazhao. In hetzelfde jaar moest hij meerdere nederlagen lijden tegen de Guomindang-legers onder leiding van Chian Kai-shek, die met hun "Noorderlijke Expeditie" bezig waren een succesvolle overname van de macht te bewerken. Eind 1928 besloot hij zich terug te trekken naar zijn machtsbasis in Mantsjoerije. Zhang werkte in zijn verschillende campagnes geregeld samen met de Japanners, soms uit opportunisme, soms door de omstandigheden gedwongen. Hij kwam in december 1928 om het leven als gevolg van een bomaanslag gepleegd door een lid van het Japanse Guandong-leger. Zijn zoon, Zhang Xueliang, ook de "Jonge Maarschalk" genoemd, volgde hem op.
Bron: Bonavia 1995 |
|

|
Wu Peifu (?-1940)
Wu Peifu, "de Filosoof", was een van de machtigste en militair bekwaamste Warlords, die in het midden van de jaren twintig de belangrijke provincies rond de midden en benedenloop van de Gele Rivier en de middenloop van de Yangzi-rivier beheerste.
Wu werd geboren uit een verarmde familie uit de middenstand. Hij ontving een goede traditionele Chinese opleiding en was goed thuis in de Chinese klassieke literatuur. Na zijn opleiding aan de militaire academie van Baoding (bij Beijing) volgde hij een carrière als beroepsmilitair. Als jong officier viel hij spoedig op en hij steeg snel in rang en aanzien. In 1919 was hij commandant van een eenheid die opstandige revolutionairen in de provincie Hunan bestreed. Hoewel hij (met moeite) enige successen wist te behalen, liet hij zich openlijk zeer kritisch uit over de machthebbers in Peking, die door hun onderlinge strijd zijn soldaten bijna lieten verhongeren en niet voorzagen van voldoende wapens en materieel. Sinds die tijd had hij het voortdurend aan de stok met zijn nominale superieuren en ging hij een steeds zelfstandigere koers volgen. Allengs wist hij de macht over grote delen van centraal China te veroveren. Luoyang (provincie Henan) was min of meer zijn hoofdstad. Pogingen om in 1926 met hulp van andere Warlords de macht in Peking uit de handen van Zhang Zuolin te ontrukken mislukte door verraad van zijn collega's. In het begin van zijn loopbaan stond hij sympathiek tegenover de communisten, die hij later echter de rug toe keerde. Tegenover de Japanners was hij meer standvastig (in tegenstellling tot de meeste andere Warlords, die met de Japanners samenwerkten als hen dat uitkwam). Hij bestreed hen waar en wanneer hij kon. Dit gaf hem een zekere populariteit. Toen in 1927 de troepen van de Guomindang onder leiding van Chiang Kai-shek aan hun Noordelijke Veldtocht begonnen was het gebied van Wu het eerste doelwit. Wu werd in 1927 nabij Wuhan (provincie Hubei) verslagen. Hierop moest hij meer en meer terrein prijsgeven. Tenslotte vluchtte hij via Sichuan naar Gansu waar hij zich tot zijn dood als min of meer zelfstandige krijgsheer tegenover de KMT (Guomindang) en Chiang Kai-shek kon handhaven.
Bron: Bonavia 1995 |
|

|
Feng Yuxiang (Feng Yu-hsiang, 1882-1948)
Warlord die zijn machtscentrum in Xi'an (Shaanxi) had. Hij werd ook de "Christelijke generaal" genoemd vanwege zijn bekering tot het protestantisme. In 1924 hadden zijn troepen Peiping (Beijing) ingenomen. Na oorspronkelijk met de Guomindang samengewerkt te hebben keerde hij zich in 1929 tegen de nationalisten. In 1930 werd hij verslagen door Chiang Kai-shek.
Howel medogenloos en voorzien van de meeste slechte eigenschappen, die met het begrip warlord samenhangen, had hij wel degelijk oog voor het welzijn van zijn soldaten. Vanuit zijn christelijk ideaal stimuleerde hij hen zelfs om de Bijbel te lezen.
Bron: Bonavia 1995 |
|

|
Yan Xishan (Yen Hsi-shan, 1883-1960)
Warlord die de provincie Shanxi van 1912 tot 1949 beheerste en hem de bijnaam "keizer van Shanxi" opleverde. Ook stond hij bekend als de "modelgouverneur" vanwege zijn inzet voor het welzijn van de bevolking (en zijn troepen) in het door hem beheerste gebied. Hierin was hij een uitzondering onder de warlords. Vanwege deze goede reputatie wordt zijn nagedachtenis zelfs in de Volksrepubliek tot op de huidige dag in ere gehouden. Enige tientallen kilometers ten noordoosten van Taiyuan in de plaats Hebian, is zijn voormalige residentie, een groot wooncomplex, ingericht als museum ("Hebian Folk Culture Museum") en te bezichtigen.
In 1928 hielp Yan de troepen van de Guomindang om Peking te veroveren. Gedurende zijn bewind wist hij zijn machtsgebied Shanxi feitelijk een vrijwel onafhankelijke status te winnen. Dit gebied was tijdens de Japanse bezetting van grote delen van China tijdens de Tweede Wereldoorlog wel sterk geslonken en teruggebracht tot de uiterste zuidwestphoek van de provincie. Hij vluchtte in 1949 naar Taiwan, na enige maanden premier in de nationalistische regering te zijn geweest.
Bron: Bonavia 1995 |
|
|
Zhang Xueliang (1901-2001)
("De Jonge Maarschalk") Zoon en opvolger van Zhang Zuolin ("De Oude Maarschalk") met Mantsjoerije als machtsbasis. Hij werd verslagen door de Japanners en gedwongen zijn machtsgebied naar het westen te verplaatsen. In 1936 veroorzaakte hij het "Xi'an-incident", waarbij Chiang Kai-shek ontvoerd werd met de bedoeling hem tot een overeenkomst met de communisten te dwingen om zo de oorlog met Japan beter te kunnen voeren. CKS heeft hem dit nooit vergeven en hem vanaf 1936 gevangen gezet. Deze gevangenschap in de vorm van huisarrest heeft tot aan 1991 voortgeduurd (meer dan 50 jaar!).
Bron: Fenby 2003. |
Bronnen:
Bonavia 1995: David Bonavia, China's Warlords, Oxford University Press, 1995. Kort, goed leesbaar en interessant kijkje in de onfrisse keuken van de warlords.
Fenby 2003: Jonathan Fenby, Generalissimo; Chiang Kai-shek and the China He Lost, Free Press, London, 2003. Een goed geschreven kritische biografie van de nationlistische leider en dictator. Hierbij geeft dit boek een heldere kijk op de sociale, politieke en economische gebeurtenissen in China gedurende de eerste helft van de twintigste eeuw.
Hsü 1983: Immanuel C.Y. Hsü, The rise of modern China, 3rd edition; Oxford University Press, 1983. Standaardwerk over China's moderne geschiedenis (inclusief Qing-dynastie).
Laatst gewijzigd op:
25-4-2010
|