|
De Noordelijke Wei-dynastie (385-557)
De Noordelijke Wei-dynastie was één van de meer stabiele noordelijke
dynastieën tijdens de periode van China's verdeeldheid tussen de noordelijke en
zuidelijke dynastieën. Deze verdeeldheid duurde van de ondergang van de Han-dynastie (220) tot
het herstel door de Sui-dynastie (581). De hoofdsteden van de
Noorderlijke Wei-dynastie waren Datong (in de huidige provincie Shanxi) en vanaf 494 Luoyang
(in de huidige provincie Henan).

Kaartje van China rond het jaar 500. In het noorden
bereikte de Noordelijke Wei-dynastie haar grootste territorium. In het zuiden
heerste destijds kortstondig (479-505) de Zuidelijke Qi-dynastie. (Let op: Het
zuiden maakte destijds nog nauwelijks deeluit van de Chinese cultuur) De
zwarte (on)onderbroken lijnen komen overeen met China's huidige staats- en
provinciegrenzen. Bron: "An historical atlas of China", A. Herrmann, New
edition 1966.
De Noordelijke Wei-dynastie is vooral bekend geworden om de bevordering van
het boeddhisme door de
Toba heersers. De Toba was een proto-Turkse nomadenstam uit de steppen ten
noorden van het leefgebied van de Chinezen en één van de steppenvolkeren, die de
macht in Noord-China na de Han-dynastie in handen gekregen hadden. Het Chinese
cultuurgebied bevond zich destijds nog vrijwel geheel in het noorden, langs de
Gele Rivier (Huanghe). Het zuiden had een soort koloniale status, met
een voornamelijk autochtone niet-Chinese cultuur.
De Toba-heersers namen tijdens de eerste 100 jaar van hun bewind de Chinese
cultuur geheel over, een van de vele voorbeelden in de Chinese geschiedenis van
culturele assimilatie. Dit leidde er o.a. toe, dat zij in 494 hun hoofdstad naar
Luoyang verplaatsten. De dynastie herintroduceerde het systeem van gezamelijke
verantwoordelijkheid van alle leden van een dorpsgemeenschap; een effectief
middel om de bevolking in het gareel te houden en voor rust en orde te zorgen.
Ook stichtte zij zelfvoorzienende militaire kolonies aan haar noordgrens, om het
gebied te beschermen. Interne spanningen tussen de Toba-elite, die in de
Chinese cultuur waren opgegaan en hun stamgenoten, die hun oude gewoonten trouw
gebleven waren (vooral militairen), leidden uiteindelijk tot de ondergang van de
dynastie.
Blijvende getuigenissen van de culturele bloei van het boeddhisme tijdens de
Noordelijke-Wei zijn de beelden en schilderingen in een aantal in bergwanden
uitgehouwen nissen en grotten, soms zeer uitgebreide complexen, waarvan de bouw
tijdens de deze dynastie begonnen zijn. Bekende voorbeelden zijn de grotten bij
Dunhuang in de provincie
Gansu, bij Datong in de provincie Shanxi (Yungang-grotten) en bij Luoyang in de provincie
Henan (Longmen-grotten).
Beeldhouwwerk uit deze grotten, maar ook losstaande sculpturen van hoge
artistieke kwaliteit, hebben hun weg naar de belangrijkste musea over de gehele
wereld gevonden.
Laatst gewijzigd op:
30-10-2005
|